Bescherming

Bescherming

Beschermingsstatus

Wanneer je oude ‘veldmensen’ (biologen, boeren, boswachters of jagers) met doorwrochte veldkennis vraagt naar een verschil in waarnemingen van kleine marters tussen vroeger en nu, dan is het antwoord veelal dat kleine marters tegenwoordig niet zoveel meer gezien worden. Ook elders binnen gematigd Europa, met uitzondering van wellicht Scandinavië en de Britse Eilanden, leeft dit idee. Veel verder terug in de tijd loofde men nog premies uit voor de huiden van kleine marters, die werden met boekhouding geregistreerd. Men schreef over een algemeen voorkomen van de dieren in de 19e eeuw. Nog een vergelijking, in Noord-Amerika komen kleine marters in veel gebieden nog algemeen voor en mogen daar gewoon voor hun pels bejaagd worden. Jacht op kleine marters in Europa, zoals nog mogelijk op de wezel in Duitsland, werd recent echter seizoensmatig aan banden gelegd omdat jagers minder begonnen te vangen dan vroeger.

In het eertijdse cultuurlandschap kwamen kleine marterachtigen veel algemener voor dan in het moderne en sterk veranderende cultuurlandschap van tegenwoordig.

Omdat er amper onderzoek naar het voorkomen of abundantie van kleine marters in Europa plaatsvindt en dit in het verleden moeilijk of arbeidsintensief bleek te zijn, weten we maar weinig over de tegenwoordige ontwikkelingen van hun populaties. De laatste verspreidingsbeelden laten zien dat er voor alle drie de soorten een leegval van kilometerhokken met waarnemingen valt te constateren ten opzichte van voorgaande atlasprojecten van decennia geleden. Vooral de hermelijn lijkt achteruit te gaan of zich terug te trekken naar nattere natuurgebieden. Voor de bunzing bestond dat vermoeden al iets langer. Dit is opmerkelijk, omdat grotere marterachtigen – zoals de das, steenmarter en boommarter – juist in verspreiding uitbreiden. Er lijkt dus reden voor zorg te zijn, maar er is nog geen vinger aan de pols gezet buiten het werk van de SKM.

→ Direct naar beschermingsmaatregelen voor kleine marterachtigen.

Met grotere marterachtigen onder de noemer ‘mesocarnivoren’, zoals deze boommarter, gaat het waarschijnlijk beter dan met de kleine marters. (©E. van Maanen)

Onder de vigerende Nederlandse Wet natuurbescherming krijgen kleine marterachtigen een ‘basisbescherming’. Men mag ze niet opzettelijk doden, maar wel verjagen bij bepaalde bestendige beheersmaatregelen en bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uitzondering bij de ontheffing voor deze en andere ingrepen is de Provinciale bescherming die kleine marters genieten in Noord-Brabant, Drenthe en in Noord-Holland; hier geldt een inventarisatieplicht. De basisbescherming is opmerkelijk, aangezien wezel en hermelijn op de Rode Lijst staan als ‘gevoelig’ en de bunzing in de categorie ‘onvoldoende gegevens’. Dat laatste is van belang, want hoe kan men deze dieren wel of niet duurzaam beschermen op basis van maar zeer beperkte kennis van de abundantie van deze dieren; oftewel amper of geen onderbouwing?

Bedreigingen

Het is niet onwaarschijnlijk dat de kleine marterachtigen in het moderne veranderende cultuurlandschap onder druk staan, ten opzichte van hun grotere relatiegenoten als de boom- en steenmarter. Kleine marters kennen een complexe ecologie, vooral de wezel en hermelijn, met een hoge afhankelijkheid van woelmuizen als prooibasis. Dat deze afhankelijkheid van belang is bleek bijvoorbeeld in de zomer van 2014. Dit was een uitzonderlijk ‘goed muizenjaar’ met sinds tijden weer woelmuizenplaag in het nieuws (verontruste boeren in Friesland). De waarnemingen (bron: Waarneming.nl) van alle drie de kleine marters namen in de nazomer van 2014 significant toe ten opzichte van voorgaande jaren; waarschijnlijk het resultaat van een hoge aanwas van de dieren. Tijdens een muizenplaag dragen kleine marterachtigen aanzienlijk bij in het indammen ervan, samen met de vos, andere marterachtigen en roofvogels en uilen. Ongeveer een jaar na de muizenplaag zakte het aantal waarnemingen van kleine marters weer. Kleine marters zijn in muizenarme jaren ‘stationair’ in meer of minder hoge dichtheden op locaties aanwezig of geheel afwezig; afhankelijk van de habitatkwaliteiten. De rijkere gebieden zorgen dan voor populatie-onderhoud en voldoende aanwas voor de armere gebieden. Kleine marters lijken hiermee een indicatieve functie te hebben voor het peilen van de ecologische gesteldheid van onze cultuurlandschappen; een rol die we momenteel proberen beter te duiden.

Opleving sinds jaren aan de hand van gemelde waarnemingen tijdens een uitzonderlijke landelijk woelmuizenpiek in 2014. (Bron: Waarneming.nl)

Er bestaan gerede vermoedens over de bedreigingen die op de populaties van kleine marterachtigen inwerken. Deze dragen op verschillende wijze en wellicht combinatief bij aan lage populaties ten opzichte van vroegere referenties of gezonde populaties elders, als volgt:

Habitatversnippering

Naarmate leef- en brongebieden voor de minder dispersiekrachtige en kortlevende kleine marterachtigen geïsoleerd raken wordt de uitwisseling tussen deze en met andere tussengelegen gebieden lager. Er kunnen in deze meta-populatiegebieden leegten ontstaan, die maar zeer sporadisch weer door kleine marters worden gekoloniseerd; met als resultaat zeer lage populatiedichtheden of een ‘schittering in afwezigheid’.

Goed verbonden leefgebieden met veilige uitwisseling is van groter belang voor kleine marterachtigen dan voor meer dispersie-krachtige dieren, zoals de grotere marterachtigen.

Verkeersdrukke wegen

Vooral drukke maar ook verharde wegen in het algemeen vormen een gevaarlijke barrière voor kleine marterachtigen. Wezel en hermelijn vinden het niet prettig om wegen over te steken, zo blijkt uit observaties. Veel bunzingen komen om door autoverkeer, zo blijkt uit de opgave van verkeersslachtoffers. Daarentegen maken ze alledrie dankbaar gebruik van faunatunnels onder wegen.

Zelfs rustige landwegen steken de kleinste marters, zoals hier een familie wezel (linkerfoto), maar moeizaam over. Het kan ze zelfs fataal worden (rechts). (©E. van Maanen)
Een goed functionerende overgang voor ‘kleinwild’ over een kanaal bij Deventer. (©E. van Maanen)

Intensivering landgebruik

Het wordt duidelijk dat deze voortschrijdende trend nadelig is voor veel soorten die goed konden gedijen in het eertijdse en extensief gebruikte cultuurlandschap. Niet alleen kleine marterachtigen, maar ook veel soorten dagvlinders, weidevogels en akkervogels samen met de grauwe kiekendief, steenuil en kerkuil – als kenmerkende en indicatieve biodiversiteit van het oude cultuurlandschap – lijden onder de intensivering en inperking. Voor verschillen in natuurlijkheid van het landschap of referenties van hoe het was en beter kan zijn, hoeft men maar even over de grens te gaan.

Veldmuizenplagen werden kort na de oorlog flink bestreden conform het stringente landbouwbeleid en zijn tegenwoordig zeldzaam, of pieken amper meer. Hiermee zijn ook de mee deinende kleine marterpopulaties, die er in de basis van afhankelijk zijn, afgenomen. Intensivering van landgebruik door de mens – zoals in Nederland – gaat nog steeds door met het opruimen van rommeligheden (schuilplaatsen), verwijdering van landschapselementen (o.a. houtwallen), normalisering van wateren en op grotere schaal door bouwprojecten. Hiermee worde voormalige cultuurgronden als habitat voor kleine marters geleidelijk aan opgesoupeerd of ongeschikt als ‘bolwerken’ voor kleine marters.  De intensivering en inperking door landbouw en verstedelijking werkt andere natuurbeschermingsproblemen in de hand, zoals versterking van de actuele weidevogelpredatie in de veenweidegebieden. Het effect-gericht aanpakken van predatoren heeft dan geen enkele zin; of is dweilen met de kraan open zonder dat een duurzaam resultaat wordt behaald.

Compleet uitgekleed landbouwlandschap met hoge bemestingsgraad, kale bosrand en daarbovenop ook nog mollenbestrijding; ongeschikt of gevaarlijk voor kleine marters. (©E. van Maanen)
Op landschapsniveau is extensief landgebruik en natuurlijke afwisseling (macrohabitat vormend) van belang voor kleine marters, zoals hier op Wolfhaag in Limburg (©E. van Maanen)

Natuurlijke vijanden

Roofvogels, uilen, reigers, ooievaar, katten, de vos en grotere marterachtigen zijn de natuurlijke vijanden van kleine marterachtigen. Deze zijn er altijd al geweest, maar wanneer de verhoudingen veranderen in een veranderend landschap, kan de inperkende impact van vijanden disproportioneel hoog worden. Zo is de impact van de toename van middelgrote roofdieren (meso-carnivoren) op kleine marterachtigen in kleinschalige cultuurlandschappen met aan banden woelmuizenpopulaties en andere limiterende factoren, vooralsnog onduidelijk. Wel is inmiddels bekend dat grotere carnivoren de kleinere kunnen reguleren door een proces dat top-down-regulatie heet.

Muskusratten- en mollenbestrijding

Het veelvuldig gebruik van klemmen om muskusratten en mollen te bestrijden door waterschappen, boeren en tuinders veroorzaakt een qua omvang onbekende, maar waarschijnlijk niet geringe sterfte van kleine marters. Hermelijnen komen in muskusratklemmen terecht langs waterkanten. Wezels – als regelmatige verkenners van mollengangen – worden geregeld bij mollenbestrijding geklemd. Navraag over de omvang van bijvangst van kleine marters bij een mollenbestrijdingsorganisatie leverde een afwentelend antwoord op; zodat meer openheid en duidelijkheid hierover zou moeten komen.

Hermelijn dood in een klem voor muskusratten. (J. van Gompel, 1991)

Tweede generatie rodenticiden

Zo’n 15 jaar geleden waarschuwde de Britse onderzoeker Carolyn King voor de ecotoxicologische gevolgen van de zogenaamde second generation anti-coagulant (anti-bloedstollende) rodenticides (afgekort SGARs), die de eerdere reeks gifstoffen tegen ratten en muizen moest vervangen in verband met toenemende resistentie bij ratten. King en haar collega’s gebruikte het gif om hermelijnen in Nieuw Zeeland te bestrijden. De hermelijn was daar in de 19e eeuw ingevoerd om de invasieve konijnen te bestrijden, maar de hermelijn werd vervolgens een ‘plaag’ ten koste van veel grondgebonden inheemse diersoorten. In Nederland werd de waarschuwing uit Nieuw Zeeland acht jaar geleden mede opgepakt door de dierenarts Peter Beersma – die een gevaar zag voor roofvogels en uilen – en door Erwin van Maanen van de SKM (bioloog en milieukundige met een ecotoxicologische specialisatie) met oog op nadelige effecten voor kleine marterachtigen. Niemand had er toen oor naar om deze problematiek te onderzoeken.

In die tijd kwamen kwamen de eerste publicaties die aantonen dat SGARs inderdaad kunnen accumuleren in dieren die hogerop in de voedselketen staan, en dus doorvergiftiging in roofvogels en uilen en in roofzoogdieren kunnen veroorzaken. Gevaarlijke gehalten van brodifacoum – een actieve component van SGARs – zijn inmiddels aangetoond in marterachtigen met studies uit Noord-Amerika, Groot Brittannië, Denemarken (specifiek in wezel en hermelijn) en recent onderzoek (steenmarter en bunzing) door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek in België. Kleine marterachtigen zijn kwetsbaar voor bioaccumulatie met het gif aangezien knaagdieren hoog op het menu staan en ze landelijk op landbouwerven voorkomen, daar waar het gif juist veel wordt gebruikt.

Onderzoek naar doorvergiftiging van SGARs in marterachtigen levert een bedreigend beeld op.

De SKM krijgt regelmatig meldingen van mensen die zomaar ergens in het open veld een dode wezel of bunzing vinden. In Nederland is er vooralsnog maar zeer beperkt aandacht voor de SGARs-problematiek, ondanks de herinneringen aan de DDT/DDE problematiek van de jaren 60-70 van de vorige eeuw.

De SKM krijgt soms meldingen binnen van dode kleine marters. Soms is de doodsoorzaak duidelijk – bijvoorbeeld gedood door een huiskat of maden-infectie (wond myiasis) – maar soms is er ook niets aan het dode dier te zien; kan de doodsoorzaak dan vergiftiging zijn? (foto van een inzender, naam onbekend)

Bescherming van kleine marterachtigen

Bescherming van kleine marterachtigen is gebaat bij het mitigeren of zoveel mogelijk verzachten van de effecten van de bovenbeschreven primaire tot secundaire bedreigingen. De volgende maatregelen zullen een positief effect uitoefenen voor een meer structurele populatieaanwas van kleine marters, die nodig is voor de duurzame instandhouding van lokale populaties en meer buffer in tijden met voedselschaarste voor deze dieren:

  • Meer doen voor behoud van ecologische connectiviteit tussen leefgebieden, niet alleen tussen natuurgebieden, maar ook de tussengelegen landelijke gebieden met habitatkwaliteiten voor kleine marters.
  • Meer perforatie van drukke verkeerswegen en beschoeide waterwegen, met bijvoorbeeld faunatunnels onder de weg en wildovergangen.
  • Meer natuurontwikkeling (lees ook herstel) en behoud van natuurlijke cultuurlandschappen (zoals die van vroeger), waarin gemeenschappen van kleine zoogdieren (met borging van de relatie veldmuis-wezel) kunnen floreren, samen met andere cultuurvolgers als de steenuil en akkervogels. Opschaling is hierbij van belang, met meer natuurareaal of optimalisering. Denk bijvoorbeeld ook aan meer oorspronkelijke of organische landbouwteelt (o.a. rogge-akkers).
  • Meer herstel van landschappelijke elementen zoals kruidenrijk grasland dat beperkt of minder rigoureus wordt gemaaid, houtwallen, mantelzoomvegetaties langs bosranden, e.d. Dit op alle fronten, ook in groenstedelijke landschappen.
  • Meer leefplekken aanbrengen in landschappen waar microstructuren ontbreken; bijvoorbeeld aanbreng van takkenrillen in combinatie met speciale nestkasten.
  • Het niet zoveel of fanatiek opruimen van dingen van vroeger. Oude schuurtjes, bijvoorbeeld, hebben naast een landschappelijke charme ook een functie als verblijf voor veel dieren van het cultuurlandschap, waaronder kleine marters.
  • Het aan banden leggen van mollenbestrijding met klemmen of daarvoor alternatieven toepassen die kleine marter vriendelijk zijn.
  • Het beter controleren van rattenbestrijding met gif en zoveel mogelijk opteren voor mechanische bestrijding.
Een brede ‘buffer’ van grasland tussen akker en bos, zoals hier in Duitsland, kan gunstig zijn voor de kleinste marters. (©E. van Maanen)

Eerste hulp voor kleine marters met habitatversterking

Op microhabitat niveau kan veel verbeterd worden of kunnen kleine marters worden bediend met de aanleg van leefplekken, die hun overleving en voortplanting versterken. Daarover meer op de →volgende pagina.

Rommeligheid en het stapelen van hout en takken langs bosranden en in bosschages is voordelig voor kleine marters, met mogelijkheden voor rust- en nestplaatsen en als thermale dekking (versterking van het microhabitat). (©E. van Maanen).