Wezel

Wezel

Uiterlijke kenmerken

De wezel (Mustela nivalis) is ons kleinste roofdier. In het veld kun je hem wellicht zien als een razendsnel rank roofdiertje, dat bijvoorbeeld eventjes in zicht rechtuit of zigzaggend over een pad rent om vervolgens snel weer in de dichte kruidlaag of in het hoge gras te verdwijnen. In de openheid en met nieuwsgierigheid staat het diertje vaak kortstondig rechtop; het zogenoemde ‘kegelen’. Het lichaam van de wezel – net als bij andere wezelachtigen en marters –  is langgerekt met korte poten; een belangrijke aanpassing voor het kunnen bewegen in nauwe ruimten en tunnels, zoals onder de sneeuw of in muizengangen. Het diertje heeft een korte (wip)staart van circa 4 cm lang zonder de opvallende zwarte staartpluim die de hermelijn heeft; een goed onderscheidend kenmerk.

Wezel. Op het eerste gezicht herkenbaar aan de korte ‘wipstaart’. (©Beate Ludwig)

De mannetjes (met een gemiddelde kopromplengte van 21 cm) zijn een slag groter dan de vrouwtjes (gemiddelde kopromplengte is 17 cm). De kleurige bovenzijde varieert van vaal kaneel- tot melkchocoladebruin. De buikzijde is normaliter crèmewit. De demarcatielijn tussen het wit en bruin verloopt bij wezels kenmerkend onregelmatige of ‘grillige’, in vergelijk met de rechtlijninge of vloeiende demarcatie bij de hermelijn. De wezel heeft meestal ook de onderscheidende bruine wangvlekken, ontbrekend bij de hermelijn. In de laaglanden van gematigd Noordwest Europa transformeert de wezel ‘s winters niet met een witte wintervacht, zoals bij veel hermelijnen.

Detail van de demarcatielijn bij een wezel, met variërend patroon waaraan bij herhaaldelijk goed beeld in een mostela, individuen herkend kunnen worden. (©E. van Maanen)

Geluid

Wezels in hun sas maken subtiele ‘mekkerende of moerende’  geluidjes; wat een beetje lijkt op een klein hondje (vandaar de bijnaam ‘muishond’).  Bij alarm laten ze een hoge fluittoon of schrille geluiden horen. Jonge dieren in het nest maken piepende geluidjes.

Groot verschil in formaat tussen de geslachten bij wezels. Vergelijk de man wezel en vrouw wezel (moer) in een Mostela. (© J. Mos)

Habitat

Wezels kunnen in verscheidene landschappen (macrohabitats) worden aangetroffen, waarin de voorkeur uitgaat naar structuurrijke en/of geaccidenteerde terreinen met een afwisseling van bos en veld. Daarin wordt een combinatie van min of meer dichte structuren zoals ruigten, hoog gras- of rietland, bosjes en/of houtwallen betrokken (het microhabitat). In tegenstelling tot de voorkeur van natte terreinen bij de hermelijn, komen wezels meer in drogere terreinen voor. Een belangrijke voorwaarde is dat woelmuizen als betrouwbare prooibasis met een geregelde populatiecyclus aanwezig zijn. Tijdens woelmuizen-arme perioden wordt ander voedsel des te belangrijker.

Voorbeeld van een terrein waar wezels zijn aangetroffen, met een overgang van bosrand met braamruigte op een landbouwperceel (roggenveldje) binnen een natuurgebied. (©E. van Maanen)
Leefplek van een wezel. (©E. van Maanen)

Wezels maken bij verplaatsing graag gebruik van terrein met veel dekking biedende vegetatie, om zo uit het zicht te blijven van vijanden uit de lucht. Ze maken veel gebruik van (gecompartimeerde) holen(stelsels) van (woel)muizen, mollen (bijvoorbeeld kraam- en winterburchten) en (woel)ratten, als ondergrondse route en als rust- of nestplaats.

Verspreiding in Nederland

De wezel valt actueel met uitzondering van de Waddeneilanden op veel plaatsen verspreid over Nederland aan te treffen (zie navolgende verspreidingskaart). De wezel is algemener voorkomend dan de hermelijn. Ten opzichte van eerdere verspreidingsbeelden uit atlasprojecten valt echter een mogelijke afname te constateren (Mos & Van Maanen, 2016). Oudere veldmensen melden dat ze tegenwoordig minder wezels zien dan vroeger, een constatering die ook in andere Europese landen eniger zorg opwekt (zie verder bij onderdeel Bescherming).

Verspreiding van waarnemingen (blauwe stippen) van de wezel in de periode 1989-2012. Grijze vlakjes laten het verspreidingsbeeld in de voorgaande periode (1970-1988) zien. Bron: Atlas van de Nederlandse Zoogdieren (2016).

Voedsel

De wezel is hoofdzakelijk een vleeseter en predeert veelal op (woel)muizen (ca. 85% van het dieet). Daarnaast worden ook ook andere kleine zoogdieren en vogels en hun broed bemachtigd. Ongewervelden, aas en vruchten vullen het dieet aan. Wezels jagen zeer actief met tussenpozen van rust of energetische oplading.  Ze zoeken tijdens het foerageren allerlei hoekjes en gaten af naar prooi met uitstekende zintuigen. Prooidieren worden na een verrassingsaanval of korte achtervolging met een beet in de nek of keel gedood; bij grotere dieren meestal na een lang gevecht.  Wezels zijn ook zeer goed in staat om te klimmen en zwemmen, om bijvoorbeeld bij vogelnesten te komen maar ook om te vluchten. Bij een overvloed aan prooidieren worden voedselvoorraadjes aangelegd.

Woelmuizen, zoals deze rosse woelmuis, vormen de hoofdmoot van het dieet van de wezel. In zomers met veel woelmuizen  piekt normaliter in de natuurlijke situatie ook de wezelpopulatie, die op die van woelmuizen meedeint. (© E. van Maanen)

Leefwijze en voortplanting

De wezel is voornamelijk dagactief met inlassing van regelmatige rustperioden; ‘s nachts lijkt hij minder actief te zijn. Om de snelle stofwisseling door het geringe lichaamsformaat op peil te houden moeten wezels regelmatig eten, om daarna weer energetisch op te kunnen laden. Rustplaatsen liggen vooral in de holten van prooidieren, of in andere dichte en goed beschutte structuren, zoals bijvoorbeeld in een houtstapel, hooiberg onder een takkenhoop of in een hol van een ander dier.

De mannetjes leven met uitzondering van ontmoetingen tijdens de voortplantingstijd gescheiden van de vrouwtjes.  Paring vindt plaats in de periode april-juni, waarna de embryonale ontwikkeling met baarmoederimplantatie meteen doorzet; in tegenstelling tot uitgestelde implantatie bij de hermelijn. De draagtijd is gemiddeld vijf weken. Een worp bedraagt gemiddeld 5-6 jongen. Beide geslachten zijn na 3-4 maanden geslachtsrijp.

De kraamkamer is meestal een holte dat met dor gras, blad en/of haren of veren van prooidieren of ander droog en zacht materiaal is bekleed. Ook vogelnesten kunnen worden gebruikt.

Jonge wezels in een nestje van een winterkoning in een houtstapel. (videostill uit een filmpje van Benvironment, Schotland)

In een zomer met veel woelmuizen kunnen twee worpen door een moertje worden grootgebracht.  Door de hogere aanwas kunnen populaties in de nazomer tot herfst dan tijdelijk toenemen.

Territorium en homerange

De territoriumgrootte van de wezel varieert naar gelang het seizoen (zomer- versus winterhalfjaar), prooidierdichtheden en andere habitatkwaliteiten, zoals dekking. Homeranges liggen volgens schattingen in de orde van enkele tot een tiental hectaren. Het territorium van de mannetjes bevat één tot meerdere vrouwtjes en tijdelijk de nog niet zelfstandige nakomelingen. Bij een hoge prooidierdichtheid – zoals een gemiddeld vierjaarlijkse veldmuizenplaag – worden de territoriumgrenzen minder strikt bewaakt. Bij hoge dichtheden worden kleine landschapseenheden (bijvoorbeeld een houtwal) beperkend als territorium, of lijken territoriale grenzen binnen een lokale populatie te vervagen; dit is echter zeer zeldzaam in Nederland, en is meer kenmerkend voor populaties van het noorden van Europa. In tijden van voedselschaarste kan de wezel-populatie instorten tot zeer lage dichtheden binnen landschapseenheden, of zelfs tijdelijke lokaal uitsterven.

Leefgebied (macrohabitat) van wezels in vogelvlucht. (©J. Dekker)

Natuurlijke vijanden en andere gevaren

Veel wezels sterven in de natuur voordat hun eerste levensjaar is afgerond. In gevangenschap worden ze waarschijnlijk niet ouder dan 5-6 jaar. Een belangrijke sterftefactor is predatie (o.a. door roofvogels, uilen, ooievaar en reiger) of doding door grotere roofzoogdieren waarbij ze niet worden opgegeten (het zogenaamde top-down-regulatie door huiskat, vos en marters). Ook de fors grotere hermelijn kan een gevaar zijn.

Andere gevaren zijn onder meer drukke verkeerswegen (lees ook habitatversnippering), intensivering van de landbouw samen met plagenbestrijding waaronder het gebruik van tweede generatie rodenticiden en veelvuldig gebruik van mollenklemmen. Mede hierdoor is zijn ook ‘woelmuizenplagen’ – waarop populaties van de wezel meedeinen – de afgelopen decennia sterk gereduceerd of tegenwoordig voor wat betreft opleving zeldzaam. Zie ook het onderdeel Bescherming.

De vos is een geduchte vijand van kleinere roofdieren als de wezel. (©E. van Maanen).

Sommige parasieten, met Skrjabingylus als regelmatig voorkomende aandoening (een nasale infectie met voortschrijdende deformatie van voorhoofdsholte door de nematodeworm Skrjabingylus nasicola), kunnen uiteindelijk ook dodelijk zijn voor de wezel.

Skrjabingylus nasicola is een parasitaire aandoening bij kleine marterachtigen. De nematode-worm deformeert voorhoofds- en neusholte van de dieren. Dit kan uiteindelijk, naast veel ongemak en mogelijke gedragsverandering, fataal zijn. (©J. Mos)

Waarnemen of inventariseren

Wezels worden slechts incidenteel of bij toeval waargenomen en zijn vrijwel onmogelijk gericht waar te nemen, tenzij een vaste rust- of nestplaats bekend is.

Razendsnel zijn wezels, vaak maar een paar seconden in beeld van de gelukkige waarnemer. (©E. van Maanen)

Met behulp van sporenbuizen kan allereerst de aanwezigheid van wezel/hermelijn (‘wezel’) worden vastgesteld, om vervolgens op de betreffende locatie een zekere determinatie pogen te maken met behulp van een Mostela.

Sporen wezel
Sporen van een wezel op een verse dunne sneeuwlaag. (© E. van Maanen)
wezel keutel
Net als als andere roofdieren markeren ook wezels vaak markante plekken met keutels, zoals op deze sporenplank. (© J.Mos)

Wezels laten gezien hun grootte en verborgen (deels ondergrondse) leefwijze vrijwel geen goed zichtbare sporen van aanwezigheid achter. Indien een nestplaats bovengronds wordt gevonden, kan een kleine latrine met een stapeltje langwerpige en gevlochten (bruin- tot loodgrijze) keutels dat mogelijk aanduiden; wanneer het nest in een houtstapel of steenhoop ligt bijvoorbeeld. Maar veelvuldig gebruik van holenstelsels liggen de latrines ook ondergronds en daarmee uit het zicht. Sneeuwsporen zijn vaak ook spaarzaam aangezien wezels zich graag voortbewegen in muizengangen en andere ruimte onder de sneeuwlaag (het subnivale). Op een dunne laag verse sneeuw kunnen prenten soms wel worden gevonden. Voetprenten van wezels kunnen ook als meer of minder duidelijke afdruk worden verkregen met de sporenbuismethode.

Cameraval-opname van een man wezel in een Mostela. (© E. van Maanen)